Leiden
Misschien had u in deze tijd eerder een column over Lijden verwacht, het is per slot van rekening Veertigdagentijd. Nu zijn Veertigdagentijd en Lijdenstijd niet precies hetzelfde, theologische fijnproevers kunnen je het verschil haarfijn uitleggen. Maar daarover een wellicht andere keer, deze keer gaat niet over Lijden maar over Leiden.
U weet misschien, ik studeerde in Leiden. Omdat ik de studie nogal grondig deed, heb ik er ook een flink aantal jaren gewoond. En in die jaren heb ik mijn hart voor altijd aan Leiden verpand. Dat was overigens niet vanzelfsprekend, er waren meer sterke kandidaten.
Ik werd geboren in historisch Den Haag, en groeide op in Zoetermeer toen dat nog een dorp was. Mijn eerste gemeente was Halle in de prachtige Achterhoek. En nu woon ik al 25 jaar in de mooiste stad van Noord-Holland. Zoals bekend mag worden verondersteld, dat is Alkmaar.
Toch is er maar één plaats ter wereld waar ik thuis kom, en dat is Leiden. Ik kom er nog bijna maandelijks. Ik weet nog precies waar ik op 3 oktober altijd de optocht zag. Ik weet waar ik onderuit ging toen er een laag ijzel lag. En ik kan feilloos de grachten aanwijzen waar we grappen uithaalde waarvan ik u – ter wille van mijn goede naam – beter onkundig kan laten.
Ik ben niet de enige die met zoveel weemoed terugdenk aan mijn studentenstad. Het zijn de jaren die je vormen. Ik deed er vriendschappen voor het leven op. De kiemen van de predikant die ik ben geworden liggen daar. En ik leerde er veel over wie ik van binnen ben.
Toch weet ik niet of ik er nog zou willen wonen. Daar zit immers het risico aan dat je terug gaat naar iets wat niet meer bestaat. Leiden is veranderd, en ik ook. Ik studeer niet meer, ik ben 40 jaar ouder en hopelijk ook een beetje wijzer. En ik kan niet terug naar wie ik was.
Leiden voelt dus altijd een beetje dubbel. Het is misschien wel de mooiste periode van mijn leven. En het is tegelijk het besef dat dat verleden tijd is. ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’, dichtte J. C. Bloem. Aan dat laatste werd ik enige tijd geleden tamelijk hardhandig herinnerd. Op weg naar vrienden had ik een uurtje door de stad gewandeld. Bijna op de plaats van bestemming aangekomen botste ik tegen een jongen op, duidelijk een student.
Toen ik me verontschuldigd had, zei hij: ‘Dat geeft niets hoor, meneer.’ Dat laatste woordje kwam aan, dat snapt u. Leiden blijft mijn thuis. Maar ik kan niet meer terug naar toen. Dat hoeft ook niet, met ouder worden is iets mis. En toch deed het een beetje pijn. Lijden in Leiden. De student liep door, zorgeloos. Ik ook. Maar ik was een meneer met heimwee.