Gluren
Vorige maand schreef ik al dat ik van mijzelf elke dag 7.000 stappen moet lopen. Dat is waar, maar het is ook slechts de halve waarheid. Het eerlijke verhaal is dat die stappen mij zijn voorgeschreven door de huisarts. De reden is een zeurende pijn laag in mijn rug.
Geheel tegen mijn sombere verwachtingen in wilde de huisarts er niet meteen het mes in laten zetten. ‘U zit teveel’, luidde haar verdict. Ik kon het onmogelijk ontkennen en ik moest dus bewegen. Twee keer per week hardlopen vond ze best, maar ik moest vooral wandelen.
Nu ben ik geen geboren wandelaar, maar ik begin er steeds meer aardigheid in te krijgen. Je bent buiten, je beweegt, je komt mensen tegen en je ziet nog eens wat. Naarmate het vroeger donker is, wordt dat laatste verrassend genoeg steeds meer waar.
Ik loop namelijk vaak rond etenstijd, en vooral door de straten van Alkmaar. De meeste gordijnen zijn dan nog wijd open, en er is veel te zien. Sommigen zijn nog aan het koken, anderen eten al. Pubers dweilen languit over de bank en kleine kinderen kijken het Sinterklaasjournaal. Iemand leest de krant, en een ander slaapt met open mond voor de tv.
Regelmatig vraag ik me af of God ons zo ook ziet. Dikwijls denk ik van niet. Een God in een hemel die in miljoenen huiskamers tegelijk kijkt? Ach, welnee. Maar soms ook droom ik van wel en dan gaan er liederen door mijn gedachten. ‘Heer die mij ziet zoals ik ben.’ ‘De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen.’ Een God die ziet.
Simon Carmiggelt schreef ooit een verhaaltje over gluren. Wachtend op een vriend met wie hij zal meerijden loopt hij een rondje en ziet een dikke man wellustig met een stokje op zijn rug krabben. Na nog een blokje om stapt Carmiggelt in bij wat hij denkt dat de auto van zijn vriend is en begint meteen over de krabbende man, ‘Ja, dat was ik,’ zei de man. Ik had jeuk.’
Bijna even gênant was dat ik laatst zo ingespannen liep te kijken dat ik tegen een boom op botste. In een slechte poging mezelf een houding te geven, probeerde ik er een soort val van te maken. Het bleek volkomen overbodig, want niemand had me gezien. Opgelucht liep ik verder tot mij een vraag bekroop die me nog steeds bezighoudt. Zou God het hebben gezien?
