Lied 321 – Niet als een storm, als een vloed

Lied 321 – Niet als een storm, als een vloed

Niet als een storm, als een vloed,
niet als een bijl aan de wortel
komen de woorden van God,
niet als een schot in het hart.

Maar als een glimp van de zon,
een groene twijg in de winter,
dorstig en hard deze grond –
zo is het koninkrijk Gods.

Stem die de stilte niet breekt,
woord als een knecht in de wereld,
naam zonder klank zonder macht,
vreemdeling zonder geslacht.

Kinderen, armen van geest,
mensen gelouterd tot vrede,
horen de naam in hun hart,
dragen het woord in hun vlees.

Blinden herkennen de hand,
dovemansoren verstaan Hem.
Zalig de man die gelooft,
zalig de vrouw aan de bron.

Niet in het graf van voorbij,
niet in een tempel van dromen,
hier in ons midden is Hij,
hier in de schaduw der hoop.

Hier in dit stervend bestaan
wordt Hij voor ons geloofwaardig,
worden wij mensen van God,
liefde op leven en dood.

Toegelicht: Niet als een storm, als een vloed

(door dr. Oane Reitsma, predikant van de Protestantse Gemeente Enschede)

Niet…

In de traditie van de negatieve theologie (van onder andere meester Eckhart) kunnen we God slechts aanduiden met wat Hij niet is. Hij is zodanig anders, dat we Hem niet kunnen benoemen in enkelvoudige woorden, maar hooguit contouren kunnen aangeven door te zeggen wat buiten Hem valt. Zo begint dit lied. Niet is Hij als een storm, niet als een verwoestende vloed waarin wij alleen maar verdrinken. Niet als een bijl aan de wortel van de boom (Deuteronomium 19:20: ‘laat de bijl rusten en laat de bomen staan’) – Hij vernietigt het leven niet. Hij is het omgekeerde van vernietigend; Hij geeft leven (couplet 1).

Wel…

Maar hoe beschrijf je Hem dan? In ieder geval niet in één beeld, want Hij is altijd groter dan wij kunnen denken en ontsnapt aan ieder beeld waarin je Hem wilt vangen. Dus worden er beelden naast elkaar gezet. Beeldspraak die niet beperkt, maar die juist een nieuwe werkelijkheid opent: een glimp van de zon, een groene twijg in de winter, verrassing (couplet 2).

Paradoxaal

Je kunt God beschrijven in paradoxale beelden, ‘ongekende’ categorieën: stem die de stilte niet breekt, naam zonder klank. Het eerste verwijst bijvoorbeeld naar de zachte koelte die Elia deed ervaren dat God niet in de storm of het onweer was. Menselijke stemmen doorbreken de stilte wel, maar die van God is in harmonie met Zijn schepping. Het tweede is een knipoog naar de godsnaam, die immers in de Hebreeuwse traditie niet wordt uitgesproken (couplet 3).

Zalig de man, de vrouw

Couplet 4 en 5 bouwen voort op deze paradoxale beelden, maar passen die nu niet toe op God, maar op de gelovige mensen die Zijn stem horen. Die stem die zintuiglijk niet waarneembaar is (dus niet met de oren), wordt namelijk gehoord in het hart. In wier hart? Dat van armen van geest. Zij ‘dragen het woord in hun vlees’ – een verwijzing naar Johannes 1 waar de Mensenzoon wordt voorgesteld als vleesgeworden woord. Ook hier worden twee denkcategorieën die elkaar vreemd zijn (woord, vlees) samengebracht. Zo worden de gelovigen in navolging van de Mensenzoon ook kinderen van God, dragen het Woord in hun vlees. Het geloof komt er niet als extra bij, maar wordt intrinsiek deel van hun mensenbestaan. Zo kan het zijn dat doven Hem horen, blinden de hand herkennen – in hun hart, zij zijn gezien. Zalig de man, zalig de vrouw die tot inzicht komt.

Nu

Couplet 6 trekt de negatieve theologie (eigenlijk theologie met ‘niet’-woorden) door in de dimensie van de tijd. Want ook is God niet in het voorbije, niet in het graf. Hij is altijd een levende, presente God. Ook is Hij niet in de toekomst waarvan we dromen, in een hemel na onze dood. Nee, Hij is nu, hier, in ons midden, in de schaduw vanwaar mensen hopen. Hopen zij niet, dan bestaat God inderdaad niet. Hopen zij, dan is God zo onlosmakelijk met die hoop verbonden als mijn schaduw met mij: Hij is er nooit niet.

Hoop

Daarom – het laatste couplet – bestaat God niet in een hemel ver weg in de toekomst. Daar is geen tijd, geen verdriet, geen hoop meer, want alles is vervuld. Maar daar is dan ook geen God, omdat alles één is geworden. God bestaat waar gehoopt wordt, waar mensen geconfronteerd worden met verlies, met het leven zelf en haar lichtheid en zwaarte. Hier wordt gehoopt. Hier wordt God geloofwaardig. ‘Liefde op leven en dood.’